Samen bent u namelijk het lichaam van Christus, en ieder afzonderlijk Zijn leden. (1 Kor. 12:27)

“De Heere is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen?” (Ps. 27 vers 1a)

Psalm 27 begint en eindigt met dezelfde woorden, met de naam van God: De Heere is mijn licht en mijn heil, zo begint de psalm en de psalm eindigt: ja, wacht op de Heere. De Heere – het begin en het einde, zoals Christus dat zei: Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde. De psalm wordt omsloten door de naam van God, net zoals ons leven omsloten wordt door de naam van God. Aan het begin van ons leven, toen we geboren werden, ja, zelfs toen we door de Heere gedacht zijn en Hij ons het leven schonk was Hij daar: De Heere is mijn licht en mijn heil. En ook als het einde van ons leven komt, zal Hij daar zijn: ja, wacht op de Heere. Aan het begin en aan het einde de naam van God. Heere is Zijn naam. Die naam betekent: Ik zal zijn, Die Ik zijn zal, Ik zal er zijn, Ik sta klaar. De naam die aangeeft: op Mij kun je aan, want Ik ben betrouwbaar. Met Mij kun je leven, want Ik ben je God. Ik sloot een verbond met je toen in de doop Mijn naam aan jouw leven verbonden werd, zoals Mijn naam aan Israël verbonden was. Mijn naam Die zegt: Ik geef niet prijs wat Mijn hand begon. Ook jou laat Ik niet vallen, al komt de hele wereld op je af en wordt je omringd door tegenstanders die jij niet de baas kunt.

De Heere is mijn licht
God is mijn licht – Zijn liefde en genade omstraalt mij, zoals daar in de velden van Efratha het licht over de herders viel, het hemelse licht van God en toen zij hoorden van het goede nieuws dat er voor hen een Redder geboren was, de Christus Die in een kribbe lag, in doeken gewikkeld. Als God er niet is, dan is het duister in mijn leven en ben ik overgeleverd aan alle duistere machten die mijn leven kunnen verwoesten. Dan heb ik geen leven meer, omdat het leven van God komt. Zoals de schepping niet zonder zon kan leven, kan de mens niet leven zonder het licht van God. Hoe diep die duisternis kan zijn horen we van mensen die niet meer de kracht hebben om verder te leven, voor wie alles donker is, voor hun eigen gevoel zonder hoop, in donkerheid gevangen. God is niet alleen mijn licht, maar ook mijn behoud, Hij is het Die mijn leven redt.
Licht is nodig om de weg te wijzen: zoals vliegtuigen niet zonder de lichten kunnen die de landingsbaan aangeven of een schip in het donker een vuurtoren het licht nodig heeft om niet op de rotsen te varen, vast te lopen en averij op te lopen, zo hebben wij het licht van God nodig om de weg door het leven te lopen, om mij thuis te brengen bij Hem. Leid, vriend’lijk Licht, mij als een trouwe wacht, leid Gij mij voort! ‘k Ben ver van huis en donker is de nacht, leid Gij mij voort! Schoon ook de toekomst mij verborgen zij, licht stap voor stap mij met uw schijnsel bij.
Als het licht weg is, is er een onheilspellende dreiging. In deze psalm komt de dreiging van mensen, mensen die maar al te bekend zijn, waar je niet tegen opgewassen bent, omdat hun scherpe woorden je steeds weer van binnen raken, omdat hun blikken je laten weten dat je er toch niet bij hoort, wat je ook probeert. Als je ze nodig hebt kunnen ze je laten vallen of wanneer je even niet oplet nemen ze je plek over. Kwaadwillenden: ze hebben kwaad in de zin. Kwaaddoeners: het kwaad dat ze aanrichten, blijft niet in hun hoofd, maar je krijgt ermee te maken omdat hun slechtheid blijkt in wat ze doen. Ze hebben het op je gemunt. Tegenstanders, vijanden, die niets van je heel willen laten: ze willen je verslinden. En steun is er niet, zo alleen, dat David zegt: mijn vader en moeder hebben mij verlaten. Verrassend is dan de steun van God.
Is het niet zo dat als de hele wereld tegen je is, je ook gaat geloven dat God tegen je optrekt en je aanvalt? Maar het zijn geen mooie woorden alleen over God als jouw licht, jouw behoud, jouw redding, nee, ze zijn waar, zoals Zijn Naam waar is: Ik zal er zijn. Ik zal er voor jou zijn, Ik zal je uitredden bij het aanbreken van de morgen. Omsingeld door vijanden en toch gaat er een deur open: de deur van Gods heiligdom. Nergens meer veilig, omdat overal gevaar dreigt en niemand meer te vertrouwen is en God Die je dan bij Hem verbergt, doet schuilen, bij Wie je kunt onderduiken, veilig tegen elk gevaar dat je zou kunnen bedreigen.
Dat heb je altijd al gewild. Het enige dat echt telt, een verlangen dat niet stopte: wonen bij God, bij Hem zijn, voor altijd. Om Hem te mogen zien in al Zijn heerlijkheid, niet alleen indrukwekkend en groots, maar ook in Zijn tederheid, Zijn schoonheid, zoals de Heere is voor wie Hem liefhebben, voor wie bij Hem horen. Zo kun je de Heere ontmoeten. Zo kun je bij Hem blijven. Je raakt niet uitgekeken op Hem, niet op Zijn liefde, niet op wat Hij doet, niet op Wie Hij is.
Maar als je dan zo veilig bent bij God, als je dan elke dag bij Hem verkeert, je verdere leven lang, waarom dan dat hartstochtelijke appèl aan God, een beroep op God om Zijn aangezicht niet te verbergen, om je niet te laten vallen? Misschien is dat wel een van de grote vragen die een gelovige kan hebben: waarom kan toch die angst je overvallen, terwijl je weet dat de Heere er is, waarom moet je Hem zoeken, wanhopig zelfs, terwijl je bij Hem mag zijn. Waarom kun je het gevoel hebben dat je alles kwijtraakt, terwijl je weet dat je alles hebt, omdat je de Heere hebt. Waarom net als Petrus, die naar de golven kijkt die om hem heen opspringen en de wind die hem om de oren suist en als hij dan even Jezus niet meer ziet naar beneden zakt, de diepte in en alleen maar gered kan worden als Jezus hem grijpt.
Zo ik niet had geloofd – dat geloven is niet iets dat wij zo maar even doen, niet iets dat ons komt aanwaaien, maar wat steeds weer aangevochten wordt, op de proef gesteld wordt door alles wat ons overkomt. Elke dreiging weer, elke verandering die het leven op de kop kan zetten, kan als een rukwind voelen, die het geloof haast omverblaast. En je houdt je hart vast als je geloof het niet meer houdt, je houdt je hart vast als God er deze keer niet blijkt te zijn. Zo ik niet had geloofd – in de psalm wordt het niet afgemaakt. Daar moet je niet over nadenken, dat is te erg, dat kun je niet aan, dan blijft er nog minder van je over dan wanneer die vijanden je verslinden. Ik was vergaan – zo ik niet had geloofd.
Maar is de Heere niet de Alpha en de Omega, de God met Wie alles begint en ook met Wie alles eindigt en Die alles wat er in dit leven tussendoor gebeurt in Zijn hand houdt, hoe diep ik ook moet gaan? Als ik dat geloof niet had, hoezeer de winden rukken aan het geloof, hoezeer de donkere wolken boven mijn leven kunnen komen, vol dreiging van noodweer, als ik niet dat geloof had, niet mijn geloof. Het is de Geest Die dat vertrouwen wekt. Wacht op de Heere, houdt moed, geloof dat Hij zal komen, op Zijn tijd. Je moet dat steeds weer opnieuw tegen jezelf zeggen, jezelf aanspreken: Wacht op de Heere, verlies niet alle moed, wees sterk, want Hij is er, Hij zal er zijn. Hij zal je hart sterk maken en het je, wanneer je het zelf dreigt kwijt te raken, weer geven.
Wacht op de Heere, wees sterk en Hij zal uw hart sterk maken, wacht op de Heere. Hij Die jouw licht is, jouw behoud, Hij is dat niet voor even maar voor altijd, vanaf het begin van je leven totdat je einde nadert. En hoe donker het kan worden – en het kan donker worden, God is mijn licht, mijn behoud. Wacht op de Heere.

J. van Wijngaarden